Wanneer het Duitse leger Nederland binnenvalt, komt het leven van de Twentse textielfamilie Hannink op scherp te staan. In hun villa aan de rand van Enschede proberen Hendrik en zijn vrouw Anna hun jonge gezin bijeen te houden, terwijl de fabriek, het kloppend hart van de familie, langzaam wordt ingekapseld door de eisen van de bezetter. Voor textielfabrikant Hendrik Hannink voelt de bezetting als een wurggreep: hoe houdt hij zijn fabriek draaiende zonder zijn ziel te verkopen aan de vijand?
De verhoudingen in Villa De Grevelink staan op scherp. Terwijl Hendrik en zijn vrouw Anna proberen hun kinderen af te schermen van de grimmige werkelijkheid, lijkt Hendriks moeder Mien juist de hand te reiken aan de vijand. Ze regelt transporten, ontvangt officieren en brengt luxe goederen thuis terwijl de stad hongert. Is het opportunisme, of verbergt haar kille zakelijkheid een roekeloos geheim?
Intussen groeit in de arbeiderswijk Roombeek de woede en heb verzet. Voorman Jan Mollema ziet hoe hakenkruisen op deuren worden gekalkt en collega’s worden afgevoerd. Hij daagt Hendrik uit: praten is niet langer genoeg.
Wanneer een tragisch verlies Hendrik persoonlijk raakt en Mies in de diepe lades van Miens bureau een lijst met namen vindt die het daglicht niet kan verdragen, barst de façade.
Een meeslepende familieroman over trots, verraad en de prijs van zwijgen in een wereld die in brand staat.
Ik ben niet in Enschede geboren. Mijn wortels liggen in Den Haag, ver van de rook van de schoorstenen, ver van de weefzalen en de arbeiderswijken waar het ritme van de dag werd bepaald door fabriekssirenes. Pas rond mijn dertigste verhuisde ik naar Twente. Ik kwam terecht in een stad die me welkom heette, maar die haar verleden niet meteen prijsgaf.
De textielindustrie was toen al geschiedenis. De fabrieken stonden stil of waren verdwenen. Wat resteerde waren bakstenen complexen zonder functie, straatnamen die iets suggereerden – maar ik wist weinig. Te weinig. En misschien juist daarom begon ik te luisteren.
Tijdens het schrijven van ‘Hannink’ werd me duidelijk hoe groot de afstand was tussen wat ik dacht te weten over de oorlog en wat zich in een industriestad als Enschede werkelijk had afgespeeld. Dit was geen verhaal van één heldhaftig verzet of eenduidige schuld. Het was een verhaal van werk dat moest doorgaan, van verantwoordelijkheden die zwaar wogen, en van keuzes die zelden zuiver waren.
De familie Hannink is fictief. Hun fabriek is dat ook. Maar hun wereld is gebouwd op werkelijkheid. In deze stad waren fabrieken geen abstracte macht, maar plaatsen waar buren werkten, waar vaders en moeders hun brood verdienden, en waar de bezetting letterlijk de fabriek binnenkwam.
Dit eerste deel van de Hannink, reeks speelt zich af in 1940 en 1941. De jaren waarin men dacht dat het nog een tijdelijke verandering was. Waarin men hoopte dat aanpassing voldoende zou zijn. Waarin de grens tussen pragmatisme en medeplichtigheid steeds dunner werd.
Ik heb dit boek niet geschreven om te oordelen met de kennis van nu. Ik heb geprobeerd te begrijpen met de ogen van toen. Wat doet een mens als werken ook meewerken wordt? Wat doet een familie als zwijgen veiliger lijkt dan spreken? En hoeveel schuld kan een mens dragen voordat hij moet handelen?
Dat ik deze stad pas later leerde kennen, beschouw ik niet als een nadeel. Het gaf me de noodzakelijke afstand om te kijken, te vragen en te twijfelen. ‘Hannink 01’ is het begin van een reeks, maar ook het begin van mijn poging om deze geschiedenis eigen te maken, niet als buitenstaander die beweert te weten, maar als schrijver die probeert te begrijpen.
Want sommige verhalen verdienen het om verteld te worden, ook als ze niet eenduidig zijn.
Berrie Coelman